Aanzien en de hersenen

     In een onderzoek van de afdelingen psychiatrie en psychologie van de universiteit van Pittsburg in samenwerking met verschillende andere universiteiten werden 100 mensen (56 vrouwen) uit de bevolking rond de stad Pittsburg onderzocht. Hen werd gevraagd om op een tekening van een ladder aan te geven op welke sport zij zich, in eigen ogen, bevonden. Zij moesten dit voor verschillende laddertjes aangeven die elk stonden voor andere aspecten van sociale status, zoals inkomen, opleiding en (vermeend) prestige van hun beroep. Daarna werd bij allen een hersenscan gemaakt. Het bleek dat de plek waar zij zich op deze sociale ladder dachten te bevinden direct verband hield met de grootte van een specifiek deel in de hersenen. Hoe lager de proefpersonen zichzelf op de ladder van maatschappelijk aanzien hadden geplaatst, des te kleiner het deel van de hersenen dat mentale en fysieke reacties op stress en de emotionele aanpassing aan de omgeving reguleert: de voorste cingulate cortex. En dit verband was niet toe te schrijven aan algemene gevoelens van ongenoegen, angst of depressiviteit bij deze proefpersonen; het effect kwam louter op conto van het aanzien dat de persoon dacht te hebben in de maatschappij. 

e-robin.nl

     Deze relatie bleek niet beperkt tot de persoon zelf. Ook de hersenen van hun kinderen lijden aan het gebrek aan, of profiteren van, het maatschappelijk aanzien dat hun ouders (lijken te) hebben. Dezelfde onderzoekers uit Pittsburg besloten studenten aan hun universiteit de eerder genoemde laddertjes voor te leggen. Hen werd echter niet gevraagd de perceptie van hun eigen aanzien aan te geven, maar de door hen geschatte maatschappelijke status van hun ouders. De 33 studenten vulden de laddertjes in en vervolgens werd een scan van de hersenen gemaakt. De onderzoekers gingen ervan uit dat minder maatschappelijk aanzien van de ouders tot stress kan leiden bij hun kinderen. Vandaar dat ze met name geïnteresseerd waren in de functie van het stresssysteem in de hersenen. Deze reactie is te meten door een test waarbij gezichten worden getoond van mensen die verschillende gelaatsuitdrukkingen hebben, zoals boos, neutraal of verbaasd. Normaal gesproken wordt de hersenkern die gevaar registreert, de amygdala, actief wanneer de proefpersoon in de scanner een boos gezicht te zien krijgt. Immers boze mensen representeren potentieel gevaar. Zo ging het ook nu: het tonen van een boos gezicht leidde tot hogere activatie van de amygdala in vergelijk tot het zien van de gezichten met een neutrale of verbaasde uitdrukking. Maar de mate van activiteit verschilde voor de proefpersonen: de amygdala reageerde het heftigst bij de studenten die vonden dat hun ouders een geringe mate van sociale status hadden (gehad). Anders gezegd, het gevaarsignaleringssysteem in de hersenen is overgevoelig en hyperactief bij kinderen van ouders met een geringe sociale status – althans in de ogen van diezelfde kinderen. 

statusgevoelige hersenen 

     Onze hersenen zijn inderdaad zeer gevoelig voor sociale status, zo toonde een groep onderzoekers onder leiding van Andreas Meyer-Lindenberg van het National Institute of Mental Health (nimh) uit Bethesda in de Verenigde Staten onlangs aan. Hiertoe hadden ze een ingenieus experiment bedacht. De proefpersonen was verteld dat zij een eenvoudig reactiespel zouden doen: ze zagen een blauwe cirkel op een scherm en moesten zo snel mogelijk een knop indrukken wanneer die groen werd. Indien ze dat snel genoeg zouden doen, werden ze beloond met één dollar per keer. Ze zouden het spel, zo werd ze verteld, tegelijk doen met een andere speler, die ze echter niet konden zien en die elders achter een computer zat. Het was evenwel niet de opzet beter te presteren dan de ander; de score tussen de spelers werd dan ook niet vergeleken noch apart beloond. Voorafgaande aan het spel werden de proefpersonen apart getraind; hen werd na afloop verteld dat enkelen beter en anderen slechter hadden gepresteerd dan zij zelf. De beste groep werd aan-geduid als ‘drie-ster’spelers, de minderen onder de proefper­sonen werden gekwalificeerd als ‘een-ster.’ De proefpersonen zelf, zo kregen ze elk apart te horen, behoorden tot de categorie met twee sterren. Met andere woorden, er was een hiërarchie aangebracht tussen de spelers, waarbij de proefpersonen zich dus middenin de rangorde bevonden. De zogenaamde drie- en één-sterspelers bestonden helemaal niet, hun score was van tevoren vastgesteld. 

     De proefpersoon deed het spel – dat dacht hij in elk geval – tegelijkertijd met of een betere of een slechtere speler. Aangezien het spel vele malen werd gespeeld (om precies te zijn 108 keer) begon zich een patroon af te tekenen dat voor de proefpersoon in kwestie langzamerhand duidelijk werd: de drie-sterspeler presteerde inderdaad beter dan hij- of zijzelf en de één-sterspeler deed het consistent minder goed. Anders gezegd, het onderscheid in prestatie en dus rangorde tussen de spelers veranderde niet; dit werd door de onderzoekers een stabiele hiërarchie genoemd. 

     De proefpersoon lag in de scanner tijdens het doen van dit spel zodat zijn hersenactiviteit gemeten kon worden. Een consistent patroon trad op: telkens wanneer de proefpersoon dacht te spelen met de betere speler, degene die in hiërarchie boven hem stond, werden hersendelen actief die te maken hebben met het beoordelen van anderen en het inschatten van sociale status – in de voorste hersenen gelegen. Deze hersenactiviteit ontstond alleen in relatie tot de betere speler, niet wanneer tegelijkertijd met de ‘lagere’ speler werd gespeeld. Bewondering, respect en het toekennen van aanzien aan anderen kent dus zijn specifieke plaats in de hersenen en wel in de voorste delen. Maar, zoals we uit de geschiedenis – zo niet uit ervaring – weten, hiërarchische structuren zijn zelden stabiel. Hoe reageren onze hersenen in een situatie waar de pikorde instabiel is, waar de mogelijkheid bestaat zelf aanzien te verkrijgen, sociaal te klimmen? 

     Om deze sociaal uiterst relevante vraag te beantwoorden, pasten de onderzoekers hun test aan. Ook nu speelde de proefpersoon te midden van drie-ster- een één-sterspelers, maar bij dit deel van het onderzoek bestond de kans om in rang te stijgen (en te dalen). Ook hier waren de superieure en inferieure spelers niet echt, en ook nu hield het stijgen of dalen in hiërarchie geen verband met de prestaties van de proefpersoon. Niettemin kreeg deze de indruk dat het mogelijk was in de hiërarchie te stijgen, en dit gebeurde dan ook met enige regelmaat. Zo nu en dan bereikte de proefpersoon de rang van drie sterren, maar hij kon die elk moment ook weer verliezen. Bemoedigende kreten verschenen in hoofdletters op het scherm, om de nieuwe plaats in de rangorde te expliciteren: ‘je bent bevorderd’ of het tegenovergestelde werd aangekondigd, zoals ‘je bent gedegradeerd’. Een instabiele hiërarchie dus; het leven van een ambitieus mens gevat in een spel van nog geen 10 minuten. 

     Wat bleek: ook bij deze test werden specifieke delen van de hersenen actief, maar het betrof andere gebieden dan in de situatie van de stabiele hiërarchie: nu waren het de delen die te maken hebben met basale emoties zoals lust en angst; de gebieden dieper in de hersenen gelegen, die evolutionair gezien oud zijn en die we met alle zoogdieren delen. Zo blijkt dus dat in een toestand van een instabiele hiërarchie, waarin we kunnen klimmen – en dalen – in aanzien, de dierlijke instincten in onze hersenen naar boven komen. Opvallend was daarbij dat tijdens het – vlietende – verblijf in de bovenste lagen van de piramide de activatie van deze gebieden het grootst was. Dit verband was het sterkst bij de proefpersonen die het meest genoten van het bezit van de driesterrenstatus (zo bleek uit de vragenlijst die ze achteraf hadden moeten invullen over de emoties die deze test bij hen opwekten). Juist bij hen vuurden de hersenen het hardst. Het betrof wederom de kern in de hersenen die beloning registreert, de accumbens. Kortom, het hebben van status is belonend, bevredigend, bemoedigend.[13] En dat blijft niet zonder langdurig effect in de hersenen, zo toonde onderzoek bij apen aan.